Een deal over eerlijke productie

Afgelopen maandag werd een zogenoemd ‘Convenant Duurzame Kleding en Textiel’ getekend. De directe aanleiding daarvoor was een ramp, ruim drie jaar geleden, in een textielbedrijf in Bangladesh waarbij meer dan 1100 mensen om het leven kwamen. Na die catastrofe kwam er een discussie op gang over de sociale kant van de kledingindustrie, over de erbarmelijke situatie waarin mensen in Azië vaak werken voor de productie van westerse bedrijven, over kinderarbeid enz. De conclusie was dat het roer om moest.

Het heeft uiteindelijk drie jaar moeten duren voordat er nu eindelijk dit Convenant ligt. Betekent dit nu dat de bedrijven die het ondertekenden vanaf nu garanderen dat hun kleding eerlijk wordt geproduceerd? Helaas niet. Ondertekenaars beloven hun productie stapsgewijs te verduurzamen en eerlijker te maken. De stok achter de deur is dat de lijst van ondertekenaars openbaar is, en dat wie er niet in slaagt de doelstellingen te halen daar “zonder pardon” van wordt verwijderd. Naming and shaming dus.

Het Convenant lijkt ons een prima stap in de goede richting, al is het natuurlijk wrang dat daarvoor eerst een ramp moest gebeuren, zoals het ook wrang is dat het daarna nog jaren duurde voordat er zo’n document ligt.

Waarom lukte dat niet eerder? Dat komt, zeggen veel bedrijven, omdat het maken van kleding zo ingewikkeld is. Er is immers sprake van zóveel verschillende processen (bijv. spinnen, verven, weven, confectie) dat het moeilijk is om de productie in de hele keten te controleren. Toch zijn er al tientallen jaren bedrijven actief die inzetten op eerlijke en duurzame productie. Een van de pioniers op dat gebied was nota bene het Nederlandse merk Bo Weevil. In Duitsland zijn merken als Engel Natur, Lanius, Living Crafts en Pickapooh eveneens al tientallen jaren actief op het gebied van faire en biologische productie. Dat geldt ook voor een grote retailer als Hess Natur. Onze eigen webwinkel bestaat inmiddels al meer dan elf jaar.

Met andere woorden: de aandacht voor schone en eerlijk geproduceerde textiel is niets nieuws. Je kan ook zeggen: de bedrijven die nu pas overstappen op eerlijke productie, hebben jarenlang bewust de andere kant uitgekeken. Goed… het is in elk geval iets, maar het is niet voor niets dat een organisatie als Schone Kleren Campagne die eveneens al jarenlang wijst op de slechte situatie in de kledingindustrie, ervoor koos om het Convenant niet te tekenen.

Wat kun je als consument nu met dit Convenant? Kun je er van op aan dat je bij ondertekenaars als C&A en Zeeman nu met een gerust hart iets kan kopen? Nee, voorlopig in elk geval niet.

Om de consument te informeren zijn al meer dan tien jaar organisaties actief die zorgvuldig nagaan hoe sociaal of duurzaam kleding wordt geproduceerd en die daarvoor keurmerken in het leven hebben geroepen. Belangrijk is daarbij dat de wildgroei aan allerlei keurmerken de laatste jaren een halt is toegeroepen, zodat er nu eigenlijk nog maar twee grote zijn overgebleven: Dat van Fair Wear en dat van GOTS.

gots-fairwear

 

 

 

 

 

Het Fair Wear label is het bekendste keurmerk voor eerlijke productie, waarbij wordt gekeken naar de arbeidsomstandigheden. Het andere is de Global Organic Textiles Standard. GOTS beoordeelt op de eerste plaats of kleding biologisch is geproduceerd en doet dat over de gehele keten, beginnend bij de katoen op het land tot verfstoffen of andere toevoegingen en zelfs het gebruikte verpakkingsmateriaal. Daarnaast beoordeelt GOTS net als Fair Wear ook de sociale kant van het productieproces zoals de lonen, kinderarbeid of niet, de lengte van de werkdagen, de werkruimtes e.d.

Het monitoren van kledingproductie langs de gehele lijn kán dus en wordt al jarenlang toegepast. Het Convenant staat bol van de goede bedoelingen, maar er zijn tal van kledingbedrijven die de fase van goede bedoelingen al lang achter zich hebben gelaten en die écht werk hebben gemaakt van schone en maatschappelijk verantwoorde productie. Voor de consument zijn ze heel gemakkelijk te herkennen aan het GOTS-label.

Ecotex in de krant

Hoe groen is Limburg? Dat was het thema waarover verslaggeefster Kim Noach van Dagblad de Limburger een aantal artikelen schreef. Wij waren een van de bedrijven die in de schijnwerpers werden gezet, in ons geval doorNaamloos-1 middel van een paginagroot interview.

Wasbare wol zonder ‘superwash’

Voor het reinigen van je wollen truitjes of sokken raden de meeste fabrikanten nu nog een handwasje aan. Dat was al zo toen onze moeders en grootmoeders de was deden. Alleen door wassen op een lage temperatuur wordt immers voorkomen dat de wol gaat vervilten en krimpen.

Als je in een willekeurige winkel een product koopt dat is gemaakt van ‘wasbare wol’, kan je er eigenlijk van uit gaan dat deze wol chemisch is behandeld. Dat gebeurt over het algemeen met chloor en in een bijzonder milieu-onvriendelijk proces, de zogenaamde Clorine-Hercosett methode. In 2009 schatte de Europese Commissie dat 75 procent van de machinewasbare wol volgens die methode was behandeld. Dat is alarmerend, vanwege het enorme waterverbruik dat de methode met zich meebrengt en de grote hoeveelheden schadelijke stoffen die in dat water verdwijnen. Toch is dat vervuilende proces om allerlei redenen (met name economische) nog steeds populair bij grote wolspinnerijen die om de milieuwetgeving te omzeilen, soms de gekste fratsen uithalen. Wij kennen de verhalen van Australische wolverwerkers, die al hun garens eerst naar China verschepen om ze daar machinewasbaar te laten maken. Daarna komt de hele zwik weer terug om te worden verwerkt.

Wát je er ook tegen in kan brengen, zo’n raar proces is er natuurlijk niet voor niets. Het is allemaal terug te voeren op de bijzondere structuur van wol. In tegenstelling tot bijvoorbeeld een katoenvezeltje is wol niet glad maar bestaat het uit microscopisch kleine schubjes die over elkaar heen liggen. De grootte en de vorm van de schubjes verschillen per schapenras en bepalen de kwaliteit van de wol: of hij hard of zacht aanvoelt, of hij kriebelt of niet, of hij goed isoleert of juist minder.

Het zijn ook deze schubjes die ervoor zorgen dat de wol gaat vervilten of krimpen, als hij wordt gewassen.

Waarschijnlijk werd dat door de hele geschiedenis heen nooit gezien als een probleem, en was het gewoon één van die kleine dingetjes die er nou eenmaal bijhoren. Tot de wasmachine werd uitgevonden, en voor het reinigen van wol opeens moest worden teruggegrepen op volstrekt achterhaalde methodes als het op de hand wassen. De wol moest machinewasbaar worden gemaakt!

De industrie kwam met een briljante oplossing: om vervilting en krimp tegen te gaan, moesten die kleine schubben worden afgevlakt. En dat kon met chloor, ook al ging dat ten koste van veel vervuiling en veel waterverbruik. Zo’n behandeling met chloor wordt in de industrie ook wel een ‘superwashing’ genoemd.

Mogelijk heeft die vervuilende techniek zijn langste tijd gehad. Inmiddels worden er namelijk flinke stappen genomen in een proces dat eigenlijk precies hetzelfde doet als het Clorine-Hercosett-Proces: het afvlakken van de wolschubjes. Alleen gebeurt dat dan niet met behulp van allerlei chemische toevoegingen, maar op een milieuvriendelijke manier, de zogenoemde plasma-technologie. De plasma wordt gevormd door elektriciteit op een gecontroleerde manier door een een niet geleidend gas te jagen. Als de wol door dit plasmaveld wordt gehaald, volgt een reactie die de schubjes afvlakt en vervilting opheft.

Dé pionier op dat gebied is de in Duitsland gevestigde Südwolle Groep. De plasmatechnologie is al een paar jaar oud, maar werd tot nu toe vooral toegepast op wol voor kleinere nichemarkten (zoals biologische wol). Het bedrijf denkt nu dat de tijd rijp is voor opschaling. In een recent persbericht werd aangegeven dat de verwachting is om binnen afzienbare tijd 1,5 miljoen kilo wol met de plasmamethode te verwerken. “En met schaal komt consistentie, efficiency en in principe ook kostenreductie. Dan wordt het ook een commercieel alternatief voor de Superwash en niet alleen een niche-product.”

Ook Ecotex heeft artikelen van wasbare wol in de collectie, bijvoorbeeld de loopsportkleding van het merk Engel Sports. Deze wol is allemaal behandeld met de milieuvriendelijke plasmamethode, die overigens is gecertificeerd door de strengste regelgeving op het gebied van ecologische textiel: GOTS en IVN Best.

Volgens de Südwolle Groep geeft de nieuwe methode niet alleen betere resultaten op het gebied van milieu, maar komt het ook de kwaliteit van de wol ten goede. Wol die is behandeld met de plasmamethode lijkt minder snellen te ‘pillen’ (het effect van kleine ‘wolkorreltjes’ op een trui) en zou ook een beter vochtregulerend vermogen hebben.

Alpaca

Alpacawol wordt veel geprezen. De wol staat niet alleen bekend om zijn mooie structuur en zachtheid maar ook om zijn stevigheid: sterker dan de wol van merinosschapen en dus minder slijtgevoelig. Daarnaast heeft alpacawol een gladder oppervlak dan schapenwol en is daardoor minder krimpgevoelig als hij wordt gewassen. “Maar is de manier waarop alpacawol wordt gewonnen ook wel diervriendelijk?” vroeg iemand ons.Op internet zijn filmpjes van te vinden waarop schapen en alpaca’s worden geschoren op een manier die niet anders kan worden omschreven als dierenmishandeling. Ook het buitensportmerk Patagonia kwam enkele maanden geleden negatief in het nieuws door zo’n filmpje, dat was gemaakt op de boerderij van een van zijn toeleveranciers.
Zijn dergelijke praktijken uitzonderingen of is het aan de orde van de dag? Gerhard Schoppel van onze toeleverancier Schoppel Wolle schrikt, als we hem vertellen van het Patagonia-filmpje, en belooft het uit te zoeken. Een paar uur later meldt hij zich weer. Hij heeft de clip gevonden en intussen ook gebeld met zijn leverancier in Zuid-Amerika. “Het zou alleen gaan om Ovis, een grote schapenhouder. Bij mijn toeleveringsbedrijf waren geen andere gevallen bekend. En ik kan je zeggen: dierenwelzijn is een thema waar voortdurend aan wordt gewerkt.”

Maar, zegt Schoppel, een alpaca is inderdaad geen mak lammetje. Hij laat zich niet zomaar scheren. De dieren zijn nogal eigenzinnig en moeten voor het scheren worden vastgebonden. “Voor zover ik weet worden alpaca’s altijd op deze manier geschoren, en worden ze juist vastgebonden voor hun eigen veiligheid. Het scheren zelf dient, net als bij schapen, ook de gezondheid van de dieren. In de zomer is het anders veel te warm, en in de wol blijft te veel ongedierte zitten.”

Schoppel heeft een spinnerij die het vooral druk heeft met het verwerken van wol van Duitse schapen. Van de Duitse wol weet hij precies waar die vandaan komt, en hoe er wordt geschoren. Met de omstandigheden waaronder zijn Zuid-Amerikaanse alpacawol en merinoswol wordt gewonnen, is hij minder bekend. Zoals de meeste Europese spinnerijen, laat hij de rechtstreekse inkoop bij de boeren over aan een centrale inkooporganisatie in de landen van herkomst. “Wij hebben ons vooral gericht op het tegengaan van mulesing. En ik kan je garanderen dat dat in Zuid-Amerika niet gebeurt.”

Mathias Gutknecht van het Peruaans-Duitse merk Apu Kuntur heeft een directere relatie met de alpacaboeren. Hij is getrouwd met de Peruaanse Nelly Amachi, die in 2008 in de oude Inca-hoofdstad Cuzco een breierij opzette om alleenstaande moeders aan werk te helpen.
“We hebben de hele keten goed in beeld,” zegt Gutknecht. “We hebben niet alleen onze eigen breierij in Peru, maar we kennen ook de boeren die ons de alpacawol leveren. We kopen die daar rechtstreeks in bij meer dan 40 boerenbedrijven.” Sinds 2008 is het bedrijf uitgegroeid. Gutknecht en zijn vrouw Nelly werken voornamelijk vanuit Duitsland en Zwitserland en bedienen de Europese markt. De Peruaanse tak van het bedrijf, waar in de breierij inmiddels 45 mensen werken, wordt geleid door broers van Nelly.

En hoe staat het dan met de diervriendelijkheid?

Gutknecht: “Een alpaca wordt op een heel andere manier gehouden dan een schaap. Ze zijn wel gedomesticeerd, maar ze staan niet in een wei zoals de meeste schapen hier in Europa. Alpaca’s leven bijna als wilde dieren, in kleine kuddes boven in de bergen, alleen om ze te scheren worden ze bijeengedreven door een herder. En het klopt, het zijn trotse dieren, die flink kunnen tegenstribbelen. Maar ze worden geschoren door vakmensen die precies weten wat ze doen. Er zal wel eens iets gebeuren, maar dat zijn incidenten.”

Kleding van wol: duurzaam of niet?

“Geitenwollensokken slecht voor milieu”, staat boven een artikel op de website van Milieu Centraal, een organisatie die consumenten adviseert over duurzaamheid. Kleding van zijde en wol zou “de slechtste keuze voor het milieu” zijn. Daarbij wordt verwezen naar een onderzoek door CE Delft naar de duurzaamheid van verschillende textielvezels. Na lezing van het rapport blijkt echter dat de conclusies die Milieu Centraal (MC) trekt, nogal kort door de bocht zijn. Zo kort zelfs, dat de consument hier op het verkeerde been lijkt te worden gezet. Een kleine nuancering is in elk geval op zijn plaats.

Waar gaat het om? In het onderzoek van CE Delft wordt de duurzaamheid van uiteenlopende textielmaterialen onderzocht. De processen die doorlopen worden om van een bepaalde grondstof een geweven of gebreid doek te maken, worden daarbij onder de loep genomen waarbij met name wordt gekeken naar de milieu-impact. Vervolgens wordt dat voor zover mogelijk vergeleken met de productie van doek dat is gemaakt uit andere grondstoffen.
Het maken van zo’n Life Cycle Analysis (LCA) is een ingewikkelde kwestie. Soms gaat het over vrij eenvoudig met elkaar te vergelijken factoren als energie- of waterverbruik: hoeveel water of energie wordt er gebruikt voor de productie van 1 kilo stof? Maar het wordt al lastiger als aan die factoren een waarde wordt toegekend. Wat telt zwaarder? Waterverbruik of CO2 uitstoot? En het wordt nóg lastiger als ook minder grijpbare factoren worden meegeteld, zoals dierenleed. Om al die uiteenlopende factoren toch te kunnen samenbrengen in één geheel, zijn verschillende rekenmodellen ontwikkeld die echter allemaal eigen accenten zetten.
Wol scoort slecht in dit, maar ook in enkele andere onderzoeken naar duurzaamheid. Dat komt met name door twee factoren: methaanuitstoot (door de boeren en scheten die de schapen laten) en vooral door landgebruik.
Landgebruik is in elke LCA een belangrijke parameter, onder meer omdat intensieve landbouw ten koste gaat van de biodiversiteit, maar ook omdat dit land mogelijk gebruikt zou kunnen worden voor akkerbouw. Hoe zwaar de factor ‘landgebruik’ moet meewegen, is weer een ander verhaal. In de methode die door de Delftse onderzoekers werd gebruikt, telt het in ieder geval zwaar mee.
Wol en het land dat nodig is om schapen te houden, zijn echter moeilijk in te schatten factoren. In een andere analyse staat dat er “behoorlijk wat onzekerheden zijn over de exacte impact van wol”. Dat komt onder andere omdat de schapenteelt in gebieden als de Schotse Highlands, de Fäeraoer, of delen van Patagonië of Australië op een ‘natuurlijke wijze’ gebeurt. Schapenteelt gaat daar niet ten koste van de biodiversiteit, en de natuurlijke gesteldheid van die streken maakt akkerbouw vaak moeilijk, duur of zelfs onmogelijk. Vaak worden in deze ruige gebieden juist schapen gehouden, omdat het land weinig andere mogelijkheden biedt. Andere onderzoekers denken zelfs dat schapenteelt in droge gebieden kan bijdragen aan het opnieuw vruchtbaar maken van de grond.

Zwitserse juraschapen worden gehouden in een gebied waar geen akkerbouw mogelijk is.
Met andere woorden: de wol komt uit heel verschillende gebieden en de manieren waarop schapen worden gehouden, lopen vaak sterk uiteen. Deze uiteenlopende situaties maken het lastig is om de ‘duurzaamheid’ van wolproductie goed in te schalen.
Nog een ander punt is dat als landgebruik zwaar meetelt, wol dus hoger zou scoren in een LCA als er meer dieren op hetzelfde oppervlak zouden worden gehouden. Zouden de schapen worden gehouden op een manier die in de richting gaat van de bio-industrie, dan zou de factor landgebruik nóg minder belangrijk worden, alleen gaat dan ongetwijfeld de factor ‘dierenleed’ weer een grotere rol spelen.
Hoe dan ook: landgebruik koppelen aan de duurzaamheid van wol, is door alle verschillen in bodemgesteldheid en manier van veeteelt, niet zo eenvoudig.Doek is geen kledingOnder verwijzing naar het onderzoek van CE Delft schrijft MC dat kleding van wol en zijde de slechtste keuze voor het milieu is.
In het onderzoek van CE Delft wordt die conclusie echter niet getrokken. Kan ook niet, want dit onderzoek betreft nadrukkelijk de ‘doekproductie’. Dat betekent dus de productie van gebreid of geweven doek, waarvan vervolgens kleding wordt gemaakt. In het rapport wordt beklemtoond dat het gebruik en de afdanking van kleding niet in het onderzoek worden betrokken. “Stappen die specifiek zijn voor het textielproduct (naaien, gebruik en afdanking) vallen buiten de scope”.
Toch heeft MC het in zijn advies naar de consument niet over doek, maar over kleding. En ook al bestaat er natuurlijk een niet te ontkennen relatie: kleding en doek zijn toch écht twee verschillende zaken. MC doet aanbevelingen over de duurzaamheid van kleding, maar baseert zich daarbij op slechts een gedeelte van de levenscyclus.
Overigens worden de ‘geitenwollen sokken’ die in de kop boven het artikel van MC worden opgevoerd, niet geconfectioneerd uit gebreid doek, maar direct van garen geproduceerd op speciale rondbreimachines.Opvattingen

In het onderzoek van CE Delft wordt enkel gekeken naar de milieu-impact van de doekproductie. Maar hoe belangrijk is de impact van de doekproductie in de gehele levenscyclus van een kledingstuk?
Ook daarover zijn er verschillende opvattingen. MC houdt het op 60-70%. Dat zou betekenen dat 30-40% van de milieu-impact plaatsheeft tijdens de gebruiksfase en de ‘end of life’ fase van een kledingstuk.
In een LCA die het Franse onderzoeksbureau Bio Intelligence Service (onderdeel van Deloitte) maakte van een linnen shirt, werd de impact van doekproductie daarentegen geschat op iets meer dan 20 procent. Bijna 80 procent van de milieu-impact wordt volgens dit onderzoek gegenereerd tijdens de ‘gebruiksfase’ van het shirt zelf, meer in het bijzonder door wassen en strijken.
Misschien is ook daar best iets op af te dingen, maar het onderstreept wel dat doekproductie maar een deel van het verhaal is: doek is geen kleding.

Kleding van wol

Overigens zou wol juist in die gebruiksfase, dus als kledingstuk wel eens heel goed kunnen scoren.
– wol is een ‘zelfreinigend’ materiaal. Kleding van wol hoeft minder vaak gewassen te worden dan katoen of kleding van synthetische materialen. Regelmatig luchten is vaak voldoende om een wollen kledingstuk weer fris te krijgen. Denk daarbij met name aan artikelen die we nadrukkelijk met wol associëren: truien, vesten e.d.
– als het nodig is om wollen artikelen te wassen, gebeurt dit op een lage temperatuur – wollen kledingstukken hoeven doorgaans niet gestreken te worden. Volgens Bio Intelligence Service zijn wassen en strijken juist twee processen die een LCA een bepaalde richting kunnen opsturen.
Tot slot: de duurzaamheid van kleding wordt niet alleen bepaald door het productieproces en de gebruiksfase maar ook door de ‘end of life’ fase. Dat wordt door CE Delft niet onderzocht, en ‘dus’ ook door Milieu Centraal niet meegerekend in zijn advies aan de consument. Echter: ook daar scoort de natuurvezel wol ongetwijfeld hoger dan bijvoorbeeld synthetische vezels.

Wat moet je hier nou mee als consument? Als we bellen met de projectleider van Milieu Centraal en haar onze punten voorleggen, komt er verrassend weinig weerwoord. “Maar we zeggen ook niet dat je geen kleding van wol moet kopen. Ons belangrijkste advies is eigenlijk dat mensen langer met hun kleding moeten proberen te doen. We zijn vooral kritisch op het modecircus dat zo vaak met nieuwe collecties komt.”
Kijk, daar zijn we het nou helemaal mee eens. Maar zeg dát dan.

Hoe eco is gerecyclede nylon?

Wanneer ik klanten bezoek met onze stoffencollecties, draag ik graag een rok en panties. Met panties aan voel ik me meer vrouw. Toch vind ik panties niet echt geweldig dragen, ze zijn zweterig en gaan o zo snel kapot. Heel jammer en zeker niet duurzaam.
Wat is dat nu eigenlijk, zo’n nylon panty, waar is die van gemaakt en zijn er eco-panties?

Eerst maar eens de vraag wat nylon eigenlijk is.

Kort samengevat is het een vezel die wordt aangeduid als een ‘polymeer’, een synthetische stof die ontstaat door de samenkoppeling van verschillende ‘monomeren’, molecules die de eigenschap hebben dat ze zich laten koppelen aan andere. De belangrijkste grondstof voor nylon is het monomeer caprolactam, dat wordt geproduceerd uit fossiele grondstoffen.
Uiteraard zijn de eigenschappen van het polymeer dat ontstaat door zo’n koppeling, afhankelijk van de molecules die gekoppeld worden. Nylon behoort tot de groep van de polyamides.
Het polymeer wordt uiteindelijk geproduceerd in de vorm van korrels of chips die bij een temperatuur van 250 graden worden gesmolten om er garen van te maken. Door het smelten ontstaan een vloeibare massa die door een plaat met talloze kleine gaatjes wordt geperst zodat er lange draden (filamenten) ontstaan die na afkoeling (door een luchtstroom) verharden. Het door de matrijs persen van deze vloeibare massa is de feitelijke garenproductie en wordt daarom ‘spinnen’ genoemd.

Nylon werd in de jaren 30 ontwikkeld door de firma Dupont, niet om er beenmode maar om er parachutestof van te maken. Parachutes werden tot die tijd gemaakt van zijde, een materiaal dat in die tijd steeds zeldzamer en duurder werd.
Andere toepassingen volgden met de verdere ontwikkeling van de techniek maar het duurde nog tot in de jaren 50 voordat er dunnere nylonvezels werden geproduceerd waarvan gladde en steeds dunnere kousen werden gemaakt.
De nylons waren een instant succes en vlogen de winkels uit. Aanvankelijk werden de kousen nog opgehouden door jarretelles, vanaf de jaren 60 werden die steeds vaker vervangen door de panty, een woord dat trouwens is afgeleid van ‘pantalon’.

Ondanks de enorme populariteit van nylon panty’s was het draagcomfort lala. In een bekend handboek voor textielonderwijs worden de voordelen van polyamidevezels als nylon samengevat: gemakkelijk te wassen, gemakkelijk te ontvlekken en snel drogend. Maar dan gaat het verder: “Een nadeel is, dat het minder geschikt is als eerste huidbedekking, omdat het vocht dat door het lichaam wordt afgescheiden, weinig door de nylon wordt geabsorbeerd.”
Toch is een kous of panty precies die “eerste huidbedekking” waarover hier wordt gesproken. Tsja, ijdelheid is van alle tijden, en het oog wil nou eenmaal ook wat.

Over het draagcomfort kunnen de meningen wellicht nog uiteenlopen, maar een panty die is gemaakt van nieuwgemaakte nylon is in elk geval niet eco. De belangrijkste grondstof (caprolactam) is een aardoliederivaat, bovendien wordt bij de productie van elke kilo van dit materiaal ook nog een veelvoud (4 à 5 kilo) zout geproduceerd. Niet erg schoon.
Uiteindelijk vergaat nylon trouwens wel, maar niet erg snel: het proces duurt 30-40 jaar. En ondertussen wordt er steeds meer van geproduceerd.

Hoe zit het nou met gerecyclede nylon?

In het normale spraakgebruik hebben we het bij recyclen over hergebruik van gebruiksproducten (post-consumptie afval). Oude kranten worden ingezameld en er wordt nieuw papier van gemaakt. Plastic flessen worden na gebruik omgesmolten en er worden nieuwe van gemaakt. Statiegeldflessen worden eveneens opnieuw gebruikt.
De gerecyclede nylon die wordt gebruikt voor het maken van panty’s wordt op een heel andere manier verkregen. Er is geen sprake van dat afgedankte kledingstukken worden omgewerkt tot nieuwe kleding. Hoewel er wel verschillende initiatieven in die richting zijn genomen, bestaan er nog geen groot opgezette en efficiënt werkende inzamelsystemen voor nylon kousen of panty’s. En zelfs als zouden die wel bestaan, dan is het moeilijk om van oude panty’s nieuwe te maken, omdat er ook elastische vezels in worden verwerkt. Voordat er sprake kan zijn van recycling, zouden die elastische vezels eerst van de nylon gescheiden moeten worden.

Als er wordt gesproken over panty’s van gerecyclede nylon, gaat het daarom meestal over “pre-consumptie afval”: afval dat ontstaat voordat het door een consument is gebruikt. Met andere woorden: schoon productie-afval. Die afval, normaal in elk productiebedrijf, wordt dan verzameld en gereinigd en kan weer opnieuw worden omgesmolten. Mooi, want het komt dus niet direct op de alsmaar groeiende en traag afbrekende berg nylon. Daarnaast worden bij dit recyclingproces aanzienlijk (ongeveer 25%) minder grondstoffen en energie gebruikt dan bij de productie van nieuwe nylon.

Is een nylonkous uit gerecyclede nylon nu een duurzaam product?

Om te bepalen hoe duurzaam een vezel is, zou een zogenoemde Life Cycle Analysis (LCA) gemaakt moeten worden. Daarbij wordt gekeken naar allerlei factoren, zoals energieverbruik, CO2-uitstoot, waterverbruik, en het gebruik van land (dat immers ook voor voedselverbouw zou kunnen dienen). Het probleem bij het maken van een LCA is altijd: welk belang is toegekend aan elk van die afzonderlijke factoren. Hoe kan je waterverbruik bijvoorbeeld vergelijken met landverbruik?
Dat was ook de kern van de kritiek die enkele jaren geleden ontstond na zo’n onderzoek naar de duurzaamheid van textielvezels. Deze benchmark werd destijds gemaakt in opdracht van Made-By, een organisatie die streeft naar meer duurzaamheid en betere sociale werkomstandigheden binnen de fashion industrie. Opvallend was dat de mechanisch gerecyclede kunstvezels daarin bijzonder goed uit de bus kwamen, gerecyclede nylon scoorde bijvoorbeeld net zo goed als biologisch geteelde hennep of vlas, maar beter dan ‘conventionele’ hennep, al is daarvan bekend dat die bijna altijd zonder bestrijdingsmiddelen en met een gering waterverbuik wordt geteeld.

De uitslag leidde dan ook tot scepsis. Zo werd in deze LCA pas gekeken naar de milieukosten vanaf het moment dat de nylon wordt hergebruikt. Alle stappen die eerder werden genomen om te komen tot een kunstvezel, worden in het geheel niet meegewogen.

Is gerecyclede nylon nou ‘eco’? Natuurlijk is het een stap in de goede richting, dat materiaal wordt hergebruikt. Van de andere kant kost de productie van gerecyclede nylon nog meer energie dan die van gewone nylon, als je ook de eerste productie meetelt. Dus of het nou ‘eco’ is? Misschien, maar naar mijn gevoel alleen als je een heel brede definitie van dat begrip hanteert.

UV-werende hoedjes van Pickapooh

“Smeren met zonnecreme is niet genoeg”, zeggen ze bij Pickapooh. Om je echt te beschermen tegen UV, heb je veel meer aan beschermende kleding. Waar de beschermingsfactor van creme tussen de 1 en de 30 ligt, is de beschermfactor van UV-werende kleding tussen de 20 en 80. Pickapooh is een bedrijf uit Hamburg dat al sinds 1991 mutsjes, petjes, wantjes en sjaals voor kinderen maakt, uitsluitend met gecertificeerde biologische katoen en biologische wol. Sinds 2004 is daar een speciale collectie van UV-werende zomerhoedjes aan toegevoegd.

Met name voor de jeugd is UV-bescherming belangrijk, omdat de huid dan nog niet tot volle wasdom is gekomen en bepaalde beschermende eigenschappen mist. Hoe jonger je bent, hoe kwetsbaarder de huid.Enkele cijfers lijken het belang van UV-protectie bij met name kinderen te onderschrijven:

  • Mensen krijgen 50-75% van de dosis UV die ze in een heel leven kunnen hebben al voor hun 18de binnen.
  • Ongeveer 80% van de door zonnebrand opgelopen schade wordt ontstaat vóór het 18de levensjaar.
  • Afhankelijk van het huidtype en de sterkte van de UV-straling kan verbranding van de huid, met blijvende beschadiging, al na 5-40 minuten optreden.

Bovendien, zeggen ze in Hamburg: “onze huid vergeet niets.” UV-beschadiging is blijvend, hoopt zich in de loop van een leven op en is een belangrijke oorzaak van huidkanker.

De beste bescherming tegen UV-straling wordt dus gegeven door UV-werende kleding. Die kleding is gemaakt van materiaal (in het geval van Pickapooh dus altijd van biologische herkomst) dat op een bepaald moment in de productie een bepaalde afwerking (finish) krijgt. Deze UV-werende finish is bij Pickapooh-producten overigens niet van chemische aard.

UPF

Net zoals het geval is bij zonnebrandcreme wordt ook de beschermende werking van kleding aangegeven met een ‘Ultraviolet protection factor’ (UPF). Hoe hoger de UPF-factor, hoe groter de bescherming.
Toch is het belangrijk om goed te checken op welke manier de UV-bescherming wordt getest. Sinds 1996 bestaat de Australische standaard, de eerste standaard waarbij een normering werd gegeven. Toch is volgens de nieuwere inzichten en testmethodes nogal wat af te dingen op deze Australische standaard.
Een veel bekritiseerd punt is dat de textiel wordt getest als hij droog en nieuw is. Textiel die nat is (bijvoorbeeld door zweet) heeft echter heel andere eigenschappen dan droge textiel.
Pickapooh maakt gebruik van de UV Standard 801, waarbij textiel wordt getest onder alle omstandigheden: dus ook nat, na centrifugeren en na meerdere wasbeurten. Van de verschillende meetwaardes die daarbij optreden, wordt alleen de laagste aangegeven op het label. In vergelijking met de Australische testmethode lopen de resultaten soms ver uiteen. Waar bij de Australische tests kleding soms met een beschermingsfactor 40 worden gelabeld, komen soortgelijke producten in de UV Standard 801 tests vaak niet verder dan beschermingsfactor 5.
Kijk hier voor de Pickapooh-artikelen bij Ecotex.

Motten… wat nu?

Als je niet oppast, kunnen motten voor een ware ravage zorgen in wollen kleding die je bewaart voor een volgend seizoen. Het zijn dan wel niet de motten zelf die gaten vreten in de wol, maar hun larven. Je zult het probleem toch bij de basis moeten aanpakken: de motten moeten worden gevangen of geweerd zodat ze geen eitjes leggen tussen jouw wollen truien, vesten of tapijtjes.Kledingmotten herken je aan de glanzend gele voorvleugels en iets lichtere achtervleugels. Ze zijn 4 tot 9 mm lang en hebben een spanwijdte van 14 mm. Vrouwtjes leggen 100-200 eitjes in kleding en textiel, waar na ongeveer twee weken larven uitkomen. Zoals alle larven, doen ook die van motten maar één ding: eten. Tot het moment dat ze zich na ongeveer drie maanden beginnen in te poppen, is eten hun enige bezigheid. Uiteindelijk kruipt er een mot uit de pop en begint de cyclus weer opnieuw.Wat kun je er tegen doen? Kledingmotten zitten vaak tussen opeengestapelde kledingstukken. Het regelmatig verplaatsen of uitkloppen van die kleding is al iets. Je verstoort daarmee de motten, en verwijdert misschien ook larven of eitjes.
Is er echt sprake van een mottenplaag, dan is een effectieve manier door hier een natuurlijke vijand tegenover te zetten: de sluipwesp.Gaat dat te ver of wil je met name preventief te werk gaan, dan kan je motten ook effectief bestrijden met een mottenbox en met spray. De mottenbox van Mottlock® is een doosje met een lokstof die paringsbereide mannetjes aantrekt, die vervolgens op een kleefstrip vast blijven zitten. De lokstof die wordt gebruikt is gifvrij.

Een andere manier is een anti motspray, met het biologisch bestrijdingsmiddel azadirachtine, dat wordt gewonnen uit neemolie. Deze olie komt weer van de vruchten van de neemboom, die met name in India veel worden gebruikt voor medicinale toepassingen. De neemolie werkt ook tegen tapijtkevers.
De antimottenspray met neemolie wordt in Duitsland gemaakt door de firma Aries, een familiebedrijf dat al 25 jaar actief is op het gebied van milieuvriendelijke insecticides en andere producten die worden gewonnen uit plantaardige extracten (bijv. huidverzorgingsproducten). Aries heeft meerdere eco-certificeringen. In een test van het Duitse Öko-Test, een soort consumentengids op het gebied van duurzaamheid, scoorde deze mottenspray “zeer goed”.

Steeds meer hennep in Europa

Er staat dit jaar weer meer hennep op de velden dan in de afgelopen tijd. Volgens data van de European International Hemp Association (EIHA) groeide het hennep areaal van 17.523 ha. in 2014 naar 19.972 ha. dit jaar. De belangrijkste hennepproducent was en blijft Frankrijk (11.450 ha.). In Nederland staat er1744 ha. hennep. (Bron: Total Hemp cultivated area in Europe 2015, EIHA 2015)Dat is een mooie ontwikkeling, want de teelt van hennep heeft veel ecologische voordelen. In hun boek “The cultivation of hemp” noemen dr. Iván Bócsa en dr. Michael Karus de volgende aspecten:
1) Onkruidcontrole. Doordat hennep snel en dicht op elkaar groeit, krijgt onkruid geen kans. Dat betekent dat chemische onkruidverdelgers niet nodig zijn.
2) Verbetering van de grond. Hennep groeit snel. Ongeveer drie weken na het zaaien is het land al bedekt. Vervolgens groeit hij snel naar een hoogte van soms drie meter. Door deze lengte geeft de plant goede schaduw. Daarnaast wortelt hennep diep, wat zorgt voor grondventilering. Bodemfauna doet het erg goed onder een hennepveld. Veel boeren geven aan dat de oogst van graan 10-20% hoger ligt als in de periode daarvoor hennep op het land stond.
3) Bemesting. Na de oogst (begin september) blijven stompen hennep staan. Als de hennep zelf op het land blijft liggen om daar te roten zorgt dit, samen met de wortels die in de grond achterblijven voor natuurlijke bemesting.Insecticiden zijn niet nodig. Specifieke gewassen trekken specifieke (nadelige) insecten aan. Hennep trekt weinig ‘vijanden’ aan en hoeft niet met insecticiden bespoten te worden. De vraag is trouwens hoe zich dat zal ontwikkelen als hennep in monocultures wordt aangeplant, en als ook ‘conventionele’ boeren zich meer gaan toeleggen op hennep-teelt.

Om te bewijzen dat hennep niet wordt bespoten (ook als de teelt niet GOTS-gecertificeerd is) worden regelmatig tests uitgevoerd met hennep uit diverse werelddelen. Inderdaad blijken daar geen residuen van insecticiden in te zitten. De Duitse associatie van natuurtextiel (Arbeitskreis Naturtextilien, AKN) concludeerde daaruit dat consumenten die hennep-kleding kopen, bijna zeker kunnen zijn dat voor het maken daarvan geen pesticiden zijn gebruikt, zelfs als dat niet specifiek op het artikel vermeld wordt.
Bócsa en Karus maken hierbij overigens de aantekening dat het soms erg moeilijk is om in een eindproduct nog pesticiden te traceren.

Er zijn trouwens nog meer voordelen: hennep is de kampioen in de productie van biomassa (10 ton per hectare in 4 maanden. Een hectare bos produceert 1,5 ton per jaar). Daarnaast is hennep voor enorm veel te gebruiken, het levert 0% afval.

Steeds meer ecologisch verantwoorde kleding wordt gemaakt met hennep. Een groot probleem zijn daarbij nog de relatief hoge productiekosten die onvermijdelijk aan de consument worden doorberekend. Om die kosten toch een beetje binnen de perken te houden, wordt daarom regelmatig een menging toegepast van hennep met bijvoorbeeld biologische katoen.
In de Ecotex-winkel maken vooral de merken HempAge en Braintree veel gebruik van hennep.

Waarom biologische katoen?

Katoen is een van de mooiste en prettigst te dragen textiele vezels. Het voelt lekker koel aan als het warm is, het is zacht en het draagcomfort is groot. Maar aan katoen zit ook een duistere kant: de conventionele katoenteelt is een van de meest vervuilende economische sectoren ter wereld vanwege het grootschalige gebruik van pesticiden.

WAAROM KIEZEN VOOR BIOKATOEN?

Behandeling van het zaaigoed

In de conventionele katoen wordt het zaad voorbehandeld met insecticiden en schimmeldodende preparaten. Een groot gedeelte (een schatting voor de Amerikaanse katoenindustrie bedraagt 80%) van de conventionele katoen is genetisch gemanipuleerd.
In de biologische katoenteelt worden onbehandeld zaad gebruikt. Genetische manipulatie is niet toegestaan.

Scherm-1

Grond- en watergebruik

In de conventionele landbouw wordt kunstmest ingezet. Vaak is sprake van monoculturen, waarbij meerdere opeenvolgende jaren maar één gewas wordt verbouwd. Conventionele landbouw vereist vaak intensieve irrigatie.
In de biologische landbouw wordt vruchtbare grond opgebouwd door gewasrotatie en het door elkaar planten van verschillende gewassen. Door het grotere aandeel organische stoffen in de grond, wordt water beter vastgehouden.

Onkruidbestrijding

In de conventionele katoenteelt wordt het land vaak al voorbereid met onkruidbestrijdingsmiddelen. Als de katoen al op het land staat, wordt dat vervolgens herhaaldelijk opnieuw gebruikt om onkruid te doden.
Ook tussen de biologische katoen groeit onkruid. Die wordt echter niet chemisch vernietigd maar fysiek weggehaald, bijvoorbeeld door te schoffelen.

Ongediertebestrijding

Gewasbescherming gebeurt in de conventionele katoen met insecticiden. Katoen is daarbij een grootverbruiker. Schattingen lopen op tot ongeveer een kilo landbouwvergif per hectare. Bedenk daarbij dat er wereldwijd ongeveer 30 miljoen hectare katoen wordt verbouwd. De conventionele katoenteelt is verantwoordelijk voor 22% van de ‘consumptie’ van insecticiden.
Ook landbouwvergif dat voor mensen schadelijk is, wordt nog steeds gebruikt zoals het zeer giftige Aldicarb. In de EU is het al meer dan tien jaar verboden, maar in de VS (een van de grote katoenproducenten) wordt het nog altijd gebruikt. En natuurlijk ook door de katoenboeren in veel armere landen.
Het landbouwgif tast niet alleen de bodem aan maar ook het grondwater. In 16 staten van de VS werd Aldicarb enkele jaren geleden teruggevonden in het grondwater. In tal van landen met katoenteelt werd gif aangetroffen in rivieren.
Niet alleen de grond en het water worden langzaam vergiftigd, ook mensen worden er ziek van. Volgens de WHO worden jaarlijks ongeveer 1 miljoen landarbeiders ziek door het werken op met landbouwgif bespoten velden. Elk jaar zouden ongeveer 22.000 mensen die op de velden werken of die er in de buurt wonen er door overlijden.
In biologische landbouw wordt geen gebruik gemaakt van pesticiden maar wordt gestreefd naar een balans tussen het ‘ongedierte’ en zijn natuurlijke vijanden. Zo wordt gebruik gemaakt van nuttige insecten en wordt ongedierte in bedwang gehouden door slimme landbouwpraktijken als het gebruik van lokgewassen om ongedierte weg te houden van de katoen.

Oogst

Het oogsten van conventionele katoen wordt voorafgegaan door het alweer te bespuiten met gif, dit keer met ontbladeringsmiddelen. In de biologische landbouw wordt eveneens geprobeerd de katoenplant te ontbladeren, maar niet met chemische middelen. Vaak is de eerste vorst al voldoende, anders wordt het vallen van de bladeren gestimuleerd door watermanagement.
Biologische katoen is daarom goed voor iedereen. Voor de landarbeiders, voor het water, voor de grond, voor het milieu. En ook voor de kleding. Onderzoek heeft uitgewezen dat op kleding die is gemaakt van conventionele katoen, toch nog sporen van landbouwgif aanwezig blijven. Bij sommige mensen kan dat leiden tot allergische reacties. Daarom wordt biologische katoen vaak aanbevolen voor mensen met een gevoelige huid.